Toen het voor MiniP tijd was om naar de basisschool te gaan, mocht zij, zoals de meeste kinderen, eerst een paar keer ‘wennen’. Een goed gebruik, dat zich helaas niet uitstrekt tot de ouders. Terwijl zij aldus geleidelijkerwijs werd ingewijd in de gebruiken en gewoonten van haar nieuwe klas, moest ik maar zien hoe ik de weg vond in het woud van ongeschreven regels en tradities.

En zo hing daar op een dag een mededeling bij de deur van MiniP’s klas. Aan het eind van de week moesten we allemaal ‘weer’ ‘het’ oogstmandje meenemen. Je weet wel. Geen ouder die vreemd opkeek, dus dat deed ik ook niet. Ik keek wel linker uit. De daaropvolgende dagen zorgde ik ervoor veel rond te hangen in de buurt van groepjes ouders, die elkaar blijkbaar allemaal goed kenden, trouwens, hoe deden ze dat, de school was nog maar net begonnen, en zo rondhangende luisterde ik gesprekken af, en kwam ik erachter wat er van mij verwacht werd, oogstmandjesgewijs. Het was herfst en dus gingen wij het oogstfeest vieren. Dat snijdt hout, want als je klein bent, willen volwassenen je graag laten geloven dat we nog in de Middeleeuwen zitten. We leven met de seizoenen en we doen aan oude ambachten. Papa’s zagen en timmeren, mama’s vilten en verrichten handelingen met naald en draad. We bakken zelf brood, maken pompoensoep zonder staafmixer en we kleien ons eigen servies erbij.

Misschien moet ik erbij vertellen dat MiniP op de Vrije School zat.

En ik moest dus aan de slag. Het was belangrijk dat wij met een goed oogstmandje op de proppen zouden komen. Ik wilde graag dat MiniP erbij hoorde. Dat ik erbij hoorde. Niet te opzichtig, maar zeker ook niet te onopvallend. Al mijn angsten en complexen stonden te dringen om een plaatsje op de eerste rang. Dit moest lukken. Er hing veel vanaf, zo niet alles.

De avond voor het oogstfeest creëerde ik aldus iets landelijks en verantwoords, geheel passend bij de mores van miniP’s school. Ik had onbespoten, inheems fruit en noten - stiekem gekocht, want helaas was ik niet in het bezit van de bij deze tradities behorende rustieke boerderij met boomgaard - geschikt op een bedje van blaadjes en bloempjes van de tuinkers uit mijn eigen! tuin, in een half vergaan vintage mandje. Toen het af was zag het er warempel heel beheurlijk uit. Ik kreeg visioenen van zeventiende-eeuwse stillevens van rijk gevulde dissen, en guitige dienstmeiden die met uitpuilende decolletees in gigantische keukens kapoenen stonden te plukken. Of anders toch wel van tevreden pachtboeren die ook eens een goede oogst hadden gehad. Die nacht lag ik wakker en verheugde me erop hoe mijn dochter goede sier zou maken met haar mandje en haar moeder.

De volgende ochtend constateerde ik handenwringend dat de tuinkersblaadjes volledig verlept waren. Ik bewerkte mijn creatie haastig met de plantenspuit, en daar leefde de tuinkers warempel een weinig van op.

Zo gingen wij op weg. Het oogstmandje in het mandje dat voor aan mijn fietsstuur hing, MiniP achterop.

De fietstocht werd een martelgang. Het oogstmandje rammelde en huppelde gezellig mee met alle steentjes en oneffenheden in de weg. Vol ontzetting moest ik toezien hoe het tere fruit heen en weder hotste en almaar beurser werd. De tuinkersblaadjes werkten zichzelf onderwijl geheimzinnig maar onstuitbaar naar boven. Ik fietste zo zachtjes mogelijk, vertwijfeld vloekend, maar toen we op school aankwamen lag het zorgvuldig gerangschikte ooft half verrot door elkaar op de bodem van het mandje, bedekt met de verlepte blaadjes van de tuinkers. Met trillende vingers fatsoeneerde ik het mandje, tot ik vond dat het er weer enigszins mee door kon. Het geheel was knullig, maar daardoor, dacht ik, alweer positief gestemd, eigenlijk wel goed toegesneden op de leefwereld van de vierjarige. In de Middeleeuwen immers, was het ook niet allemaal rozegeur en maneschijn.

Toch weer trots liepen moeder en dochter met het oogstmandje door de gang.

Groot was onze beteutering toen we daar moeders en kinderen ontwaarden die oogstmanden torsten zo groot als wagenwielen, kunstig versierd met maïskolven, vogelverschrikkers, wuivend koren en raffiastrikken van buitenaardse afmetingen. Het leek wel of ze een inzending hadden gemaakt voor een praalwagen in een nationale optocht ter promotie van het landleven. Sommigen moesten hun pompeuze misbaksels met een steekwagentje tot aan de schooldeur brengen. Het was die nachtmerrie van naar een feest gaan in een leuke, maar niet je beste outfit, bang om overdressed te zijn, en ter plaatse ontdekken dat iedereen in gala is.

MiniP werd heel klein en heel stil.

En ik? Zonder me ogenschijnlijk iets aan te trekken van het oogstgeweld om ons heen - oogstmanden? mooier? groter? beter? waar? laveerde ik opgewekt en vredig met dochter en mandje door de gang. Ik bracht haar met haar mandje de klas in, en de juf, oh die lieve juf, prees onze creatie uitbundig. MiniP was trots. Alles was goed. Ja lieve mensen, de nederige pachtboer is dan wel niet in de annalen opgenomen, hij droeg zijn steentje bij en zonder hem hadden de edelen uiteindelijk toch ook niks te eten hoor.