Een bezoek aan de kapper is altijd goed voor het verversen van een aantal minderwaardigheidscomplexen, dus toen ik op een slechte dag weer eens mocht, zat ik van tevoren al behoorlijk in de rats. In mijn coole kapsalon ging het zoals het al eeuwen en eeuwen gaat in kapsalons: ze maken je haar nat, doen je een zwarte mantel om die je eruit doet zien alsof je geprepareerd bent voor een onthoofding, en dan gaan ze je haar heel raar over je schedel kammen, en als je mazzel hebt, in rollen draaien en met klemmen vaststeken bovenop je hoofd, iets wat MiniP die ene keer dat ze het zag, de halve kapsalon door deed kronkelen van het lachen. De hele tijd zit je in de spiegel te kijken naar je wallen, terwijl een perfect gekapte en geklede kapster/pper met serieuze gebaren om je heen drentelt en je kapsel molesteert.
De kapster die mij deze keer onder handen nam, had een zeer ingewikkeld tenue aan: een superkorte broek (zwart), die te koud was voor de tijd van het jaar, dus had ze er een maillot onder (zwart), en daarboven had ze een megakort hesje aan (zwart/wit gestreept), ook te koud voor de tijd van het jaar, dus had ze daar een truitje onder (wit, geloof ik), en over dat alles nog een minuscuul bolerootje (zwart). Haar ultrakorte haar had ze gitzwart geverfd en in een rechtsdraaiende kuif gemodelleerd. Haar lippen waren knalrood gestift.
O en niet te vergeten, ze was twee meter lang. Ze droeg gigantische kisten van Doc Martins.
Ik had dus alles bij elkaar weinig in te brengen.
Ik zat daar met mijn natte kop en ze tilde mijn haarlokken op, en liet ze weer vallen. Toen vroeg ze monter, wat we gingen doen.
‘Een stukje korter?’ zei ik zwakjes.
Het optillen en laten vallen van lokken begon weer. Uiteindelijk had ze haar besluit genomen. Terwijl ze enthousiast door mijn haar woelde (‘je hebt wel echt lekker haar zeg’), zei ze dat ze ‘mijn haar zijn ding ging laten doen.’ Nu was ik zelf net in een fase van mijn leven beland dat ik graag mijn eigen ding wilde doen en tegelijkertijd probeerde om anderen daarin ook hun gang te laten gaan, wat nog helemaal niet meeviel, maar in ieder geval: ze raakte een gevoelige snaar. Dus ik gaf me aan haar over.
Vergenoegd zei ze dat ze dan eerst es even lekker een muziekje ging doen. Al gauw vulde de kapsalon zich met zeer luide en nerveuze tegendraadse klanken die maakten dat er iets helemaal mis ging met mijn gammagolven of zoiets waardoor ik niet meer helder kon denken. Dus toen de kapster heel gevaarlijk met een mes aan de slag toog (ik heb geen schaar gezien, die hele sessie niet), wat vreselijk pijn deed, want ze rukte de haren min of meer half uit mijn kop, protesteerde ik slechts flauwtjes en wist ik ook eigenlijk niet echt waarom, behalve dat ik vaag besefte dat er hier iets helemaal mis aan het gaan was. Maar ze suste mij, terwijl ze met haar zwart gelakte nagels in mijn scalp groef, met de bewering dat ze hiermee ‘speciale effecten’ creëerde.
Eindelijk was ze klaar. Er was nog maar heel weinig over van wat eerst toch best een hele bos was. Ja, van achteren, daar had ze het lang gelaten. Een matje noemen wij dat. Ze kneedde ‘spul’ in mijn haar, intussen bezorgd informerend wat ik eigenlijk gebruikte (voor mijn haar nam ik aan), en toen drapeerde ze een lok schuin over mijn rechteroog zodat ik daarmee niet meer kon kijken.
‘Dat vind ik nou wel heel onpraktisch,’ zei ik ijzig, terwijl ik haar met mijn andere oog via de spiegel aanstaarde.
De kapster keek geschokt terug en was verlamd. Om mijn woorden kracht bij te zetten streek ik haar creatie vervolgens woest achterover. Verslagen besloot ze toen dat ik ‘hem’ (jargon voor mijn haar) mocht dragen zoals ik wilde. En, al snel hersteld, merkte ze opgewekt op, dat ik er nu alle kanten mee uit kon.

Diep ongelukkig liep ik even later over straat en ja hoor, daar kwam die collega aan die ik al een half jaar niet gezien had. Groot, breed, trotse haardos.
‘Wat heb jij met je haar gedaan?’ was het eerste dat hij zei toen hij even later boven mij uittorende.
‘Geknipt,’ zei ik somber.
Gelukkig begon hij daarna over zichzelf te praten en werd het nog best gezellig, tot hij onverhoeds een tedere hand om mijn kin legde en met een duim zachtjes langs mijn mondhoek streek.
‘Zeg Poels, als je weer es wat geld overhebt, maak dan es een afspraak met de schoonheidsspecialiste.’
‘Wat nou weer,’ schreeuwde ik gealarmeerd.
‘Dan kun je je snor laten harsen,’ zei hij zoetsappig.
‘Donder op, ik heb nooit klachten gehad,’ snauwde ik.
Hij schaterde het uit. ‘Kom nou toch, ik bescherm je tegen jezelf!’
Toen vroeg hij wanneer of dat wij weer es een borrel gingen drinken.
‘Gauw,’ beloofde ik, ‘bel of mail maar, dan duiken we de kroeg in. Maar dan ga je niet over mijn uiterlijk lopen ouwehoeren, dat is onwijs impertinent.’
Dat ontlokte nog meer hoongelach en toen was het tijd om afscheid te nemen. Hij boog zich met een voldane glimlach naar me toe om me te kussen.
En toen beet ik hem uit wraak keihard in zijn oor. Dat is eigenlijk het enige leuke aan dit verhaal.