Omdat de hordes mij bleven belagen, en de kosmos blijkbaar wilde dat ik een Stap zette, belde ik de dokter.
De assistente wilde weten wat de klacht was. Dat moet je tegenwoordig eerst aan de assistente vertellen, die het dan doorvertelt aan de dokter, die zich dan beter op jouw bezoek kan voorbereiden.
‘Ik heb een spinnenfobie,’ zei ik.
De assistente schoot in de lach.
Dat vond ik verbazingwekkend, want ik dacht dat die mensen wel een cursus zelfbeheersing-bij-sneuë-klachten zouden moeten volgen voor ze de telefoon mochten aannemen.
Ze herstelde zich snel en zei op vergoeilijkende toon: ‘Ik kan het me wel voorstellen hoor, ik vind ze zelf ook niet zo prettig.’
Ik had haar vergoeilijking helemaal niet nodig, want als ik me al voor mijn fobieën moet gaan schamen, is het eind zoek. Ik schreeuwde daarom in de hoorn: ‘Maar IK kan er niet van slapen!’
‘Ja, nou, dat is wel lastig dan hè,’ zei ze, al wat minder hartelijk.
‘Dat is héél erg lastig. Het beheerst mijn leven,’ drong ik aan.
‘Ik kan me voorstellen dat u daar iets aan wilt doen,’ zei de assistente.
‘Het is inderdaad hoog tijd. Hier valt niet meer mee te leven. Ik héb geen leven meer. Ze zijn overal, de hordes.’ Ik wist van geen ophouden. Wie eenmaal uit de kast komt, ontpopt zich meestal al snel tot een exhibitionist.
Gauw maakte de assistente een afspraak met de huisarts.