De dokter had een witte jas aan en zat achter een met papieren en beige dossiermappen volgeladen bureau te lezen. Hij keek niet op toen ik binnenkwam. Ik bleef een tijdje voor zijn bureau staan met mijn jas aan. Toen legde ik de verwijsbrief op het bureau, niet echt onder zijn neus, maar een beetje in de buurt van het geschrift dat dokters volle aandacht opeiste.
Op zijn hoofd zat niet veel haar meer, en daardoor kon je goed zien dat daar bulten en bultjes op gegroeid waren. Het waren platte bultjes die met een betrekkelijk klein steeltje aan het hoofd vastzaten; ik bedacht me dat hij vroeger, toen hij nog wel haar had, erg voorzichtig moest zijn geweest met kammen, omdat hij anders gemakkelijk zo’n bultje van zijn hoofd had kunnen schrapen.
Eindelijk trok de dokter mijn verwijsbrief naar zich toe. Dankbaar zag ik hoe hij uitgebreid de tijd nam deze te lezen.Toen hij klaar was pakte hij een donkergroen met gouden vulpen, schroefde de dop eraf en maakte wat aantekeningen op een beige kaart, die hij uit een lade van het bureau had getrokken. Daarna zei hij, met een hoofdknik richting een hoek van het vertrek: ‘Kleedt u zich daar maar uit.’
De hoek waarnaar hij met zijn hoofd wees, was afgeschermd door een crèmekleurig gordijn.
‘Uitkleden?’ vroeg ik.
‘Hmhm.’
Achter het gordijn kleedde ik me uit. Mijn kleren legde ik op een met zwart skai bekleed krukje dat daar stond. Toen stapte ik de spreekkamer weer in.
De dokter keek op.
‘Ook het ondergoed.’
Met bonzend hart trok ik me weer terug achter het gordijn en ontdeed mezelf van mijn beha en onderbroek.
Ik vind het altijd eventjes ongemakkelijk om me uit te kleden, zelfs bij een ervaren dokter die de hele dag niets anders ziet dan naakte mensen. En dat dit een ervaren dokter was leed geen twijfel, want hij was ver in de vijftig en maakte bovendien een zeer geroutineerde indruk.
Geheel naakt verscheen ik nu voor zijn aangezicht. Ik wist niet waar ik mijn handen moest laten maar de dokter stelde me gauw op mijn gemak met een glimlachje en een hoofdknikje, terwijl zijn ogen over mijn fobisch lichaam gleden.
‘Loop u naar mij toe met uw handen boven uw hoofd,’ zei hij.
Nu wist ik meteen wat ik met mijn handen moest doen.
Ik liep naar hem toe met mijn handen boven mijn hoofd, precies zoals hij gezegd had. Terwijl ik dat deed bestudeerde hij me intens, en ik vroeg me af of hij uit mijn manier van lopen iets kon opmaken dat hem zou helpen bij de behandeling van mijn fobie.
Toen moest ik op mijn tenen teruglopen met mijn handen op mijn schouders. En weer naar hem toe, met mijn handen in de zij. En weer van hem af, op mijn tenen, met de handen boven mijn hoofd. Nadat ik zo een tijd heen en weer had gelopen onder het toeziend oog van de arts, stond hij op en zei dat ik op de behandeltafel moest gaan liggen. Het deed me goed dat hij zoveel tijd voor me uittrok, terwijl hij zo’n druk bezet man was.
De behandeltafel stond tegen een van de muren van de spreekkamer. Ook deze was met zwart skai overtrokken. Aan het voeteneind zat een grote rol papier, waarvan de dokter een verse baan over het skai trok. Ik vond het prettig dat hij blijkbaar hygiënisch werkte, maar het verbaasde me te merken dat hij geen handschoenen aantrok.
Toen hij klaar was met het uitwendig onderzoek liep hij naar het voeteneinde van de behandeltafel.
‘Doet u de benen maar uit elkaar,’ zei hij.
Ik spreidde mijn benen zo goed en zo kwaad als het ging op die smalle tafel. Hij duwde mijn knieën nog wat verder opzij en richtte een staande lamp zo, dat hij alles goed kon zien.
Dit deel van het onderzoek duurde wel twintig minuten. Ik kon dat zien op de klok die boven de deur hing. Eindelijk mocht ik me weer aankleden.
‘Komt u over vier weken maar weer terug,’ zei hij toen ik weer bij zijn bureau stond, waar hij alweer verdiept was in een nieuw dossier.
Ik maakte een afspraak bij de assistente. Dat kostte veel tijd, want ze zat aan de telefoon toen ik de wachtkamer binnenkwam, en bleef daar toen nog minstens een kwartier aan zitten. Ik vond dat heel vervelend. Ik heb een hekel aan onverschillige mensen.