Op de dag van het consult met de rebirthing-therapeut regende het pijpenstelen. Gelukkig zat zijn praktijk in mijn stad – dikwijls moet je voor zulke mensen naar de andere kant van het land, want ze huizen vaak in lommerrijke locaties in antroposofische dorpen buiten de randstad – maar ik moest wel een behoorlijk eind fietsen. Geen nood, ik had een regenpak, en omdat het echt heel hard regende deed ik ook mijn kaplaarzen aan.
De praktijk was gevestigd in een krachtwijk aan de rand van de stad, in een vierkant betonnen huis met ronde ramen. Het huis was ooit lichtgroen gesausd geweest, maar al flink aan het bladderen geslagen. De ramen waren geblindeerd met dikke, witte vitrage.
Ik zette mijn fiets vast aan een zieltogend boompje dat midden op de stoep stond, omringd door gigantische, door de regen ingezakte hondendrollen. In de goot naast het boompje lag een dik, verregend pak huis-aan-huisbladen met de nylon band er nog omheen.
Op de brievenbus van het bladderende huis zat een ‘nee-nee’ sticker die er half was afgetrokken. Naast de bel een bordje waarop stond: ‘praktijk 2 x bellen’. Daaronder hing een briefje, een bijna niet meer leesbaar briefje, de zwarte inkt waarmee het geschreven was, was lichtbruin verkleurd. De bel was kapot, zei het briefje, en ik moest mezelf binnenlaten.
Ik duwde tegen de deur, die meegaf. Achter de deur was een halletje waarin een witte-buizenkapstok stond, en een klapstoel van licht beukenhout. Naast de stoel was een tafeltje waarop tijdschriften lagen. Ik herkende de Jonas, de Onkruid en de Bres. In het halletje rook het naar eten. Het rook naar peen-en-uien, een lucht die ik niet kon rijmen met de tijdschriften op het tafeltje, maar wél met de buurt waarin het huis zich bevond.
Ik stond nog te aarzelen of ik zou gaan zitten, of dat ik me ergens moest melden, toen er in de hal een deur openging en een man verscheen. Hij was kaal en had een klein baardje. Hij liep naar me toe met uitgestoken hand.
‘Jij moet Lupine zijn,’ zei hij.
‘Dat ben ik,’ zei ik, glimlachend, knikkend, naar hem opkijkend, en ik schudde hem de hand.
De man noemde zijn naam, en noodde me de kamer in die hij zojuist was uitgekomen.
Ik liep achter hem aan.
‘Kom binnen, we kunnen meteen beginnen,’ zei hij terwijl we naar binnen liepen. Hij had kromme schouders.
Ik had mijn regenpak nog aan.
In de spreekkamer hing een doordringende wierookgeur. Op de houten vloer lag in een hoek een stapel matrassen en dikke kussens, van die divankussens, oranje en donkerbruin. Ik hoopte maar, dat ik niet op een kussen zou hoeven slaan. Ik kan heel goed kwaad worden en stampvoeten, maar bij een therapeut op een kussen slaan, dat vind ik altijd zo gênant.
Tegen de lange wand stond een lage tafel met daarop een boeddhabeeld en een heleboel stenen, van die mooie, geoden en agaten en bergkristallen. Er stond nog veel meer op de tafel, maar dat kon ik in de gauwigheid niet zien. De therapeut had plaatsgenomen achter zijn bureau, waar een computer stond te zoemen. Maar hij keek niet naar het scherm, hij keek naar mij. Ik was tegenover het bureau gaan zitten op een houten klapstoel, zwetend in de warme ruimte en mijn regenpak. Ik vroeg me af of ik mijn kapuchon af zou doen.
De dokter fixeerde me met zijn blik. Ik voelde me als de spin, die weldra opgezogen zal worden. Ik liet mijn kapuchon op.