De therapeut zoog me niet op. Hij stelde vragen. Terwijl ik antwoord gaf, maakte hij aantekeningen op een stapel blanco velletjes die vóór hem lagen. Hij had een prachtig handschrift.
De vragen gingen over mijn jeugd, vooral over mijn moeder. Hij wilde van alles weten over mijn moeder. Ik hield me een hele tijd goed, maar op een gegeven moment begon ik te huilen. Mijn moeder is namelijk niet zo lang geleden overleden, en ik vind het niet zo makkelijk om lang en uitgebreid over haar te praten. Dan ga ik aan haar denken, aan de fijne dingen, aan toen ze ziek werd, aan dat ze dood ging. Mijn huilen was voor de therapeut het startsein om iets anders te gaan doen.
‘Het is nu tijd voor de rebirthing-sessie,’ zei hij. ‘Daarin kun je de problemen die je met je moeder hebt, uit de weg ruimen, en de band met haar versterken. Je kunt als het ware helemaal overnieuw beginnen.’
Ik was ook opgestaan.
‘Het rebirthen doen we letterlijk,’ zei hij met een glimlach. ‘Zo letterlijk als maar mogelijk is. Ik haal even assistentie. Ga jij maar alvast op een matras zitten.’
De therapeut verliet het vertrek en ik liet me voorzichtig neerzakken op de stapel matrassen. Na een tijdje kwam de dokter weer binnen, in gezelschap van twee grote kerels. Toen ze met zijn drieën voor me stonden en boven me uittorenden, stond ik op. Zoiets gaat automatisch.
De twee kerels trokken een stuk of vier matrassen van de stapel. Er lag er nu nog één.
‘Goed, Lupine, nu ga jij op dat matras liggen. Wij leggen de andere matrassen bovenop je. We houden ze tegen, terwijl jij probeert er onderuit te komen. Je zult echt moeten vechten, net als bij je geboorte. Je gaat je geboorte her-beleven. Het is misschien eventjes benauwd, maar dat was het ook toen je in het geboortekanaal zat,’ zei de therapeut.
Ik legde me neer op het matras en ze legden de andere bovenop me. Het was verschrikkelijk warm in mijn regenpak onder die berg. Ik had ook mijn winterjas nog aan onder mijn regenpak. Maar het werd pas echt benauwd toen ze met zijn drieën op de matrassen begonnen te drukken. Of misschien waren ze er wel bovenop geklommen, dat weet ik niet; de last die op me lag was bijna ondraaglijk zwaar, het was pikdonker, bloedheet, nee, het was verre van aangenaam.
Mijn eerste reactie was om zo stil mogelijk te blijven liggen, wachten tot het overging. Maar toen herinnerde ik me dat ik me zelf uit mijn benarde positie zou moeten worstelen. Dus ik begon te vechten.
Ik duwde met mijn armen en mijn benen, ik draaide mijn hoofd van links naar rechts, wat soepel ging vanwege mijn gladde kapuchon, ik bolde mijn rug en strekte hem weer. Ik vocht. De druk van bovenaf werd zwaarder en ik was inmiddels kletsnat van het zweet. Ik streed of mijn leven er vanaf hing, en dat deed het misschien ook, maar er kwam geen millimeter beweging in het geboortekanaal.
Na een tijd, een hele tijd volgens mij, voelde ik dat ik slap werd. Ik kon niet meer. Mijn spieren waren uitgeput en ik kon niet genoeg lucht krijgen. Ik hield op met proberen me uit mijn zachte gevangenis te wurmen. Ik hoopte dat ze dat zouden voelen en dat ze me vrij zouden laten. Met een tangverlossing desnoods. Maar er kwam geen verlossing. Toen ik eenmaal stil lag, sloten zich ook alle kiertjes die ik al vechtend tussen de matrassen had weten te maken. Mijn oren begonnen te suizen, mijn hoofd bonsde. Ik zoog mijn longen vol met bedompte lucht die voor het grootste deel uit mijn eigen afgewerkte adem bestond, en schreeuwde, zo hard als ik kon. Mijn stem werd gesmoord, natuurlijk, maar ze hoorden me wel. Ze schreeuwden terug. Ik luisterde met mijn bonzende oren, in de verwachting dat de druk zou verminderen.
Maar dat gebeurde niet.
Ze schreeuwden aanmoedigingen. Ik wist niet wat ze riepen, maar ik hoorde het aan de toon.
Ik voelde angst. Een vluchtreactie had ik ook, maar er viel niets te vluchten.