Ik heb er lang over nagedacht, hoe te beschrijven wat er toen gebeurde. Het duurde een seconde, minder nog, maar ik vreesde dat ik veel woorden nodig zou hebben om het na te vertellen. Jullie zouden daardoor kunnen denken dat ik enorm lang bezig was met doodgaan, maar dat was niet zo. Bovendien is er niet één woord dat het moment van overgaan naar de andere kant goed weergeeft. Ik kan het nog het beste omschrijven als: ‘plop’.
Dus eigenlijk heb ik maar weinig woorden nodig.
Dat ene moment van ‘plop’ was ontzettend, heerlijk en beangstigend tegelijk. Het loslaten was beangstigend en ontzettend. Het loslaten van mijn lichaam, van mijn gedachten en van de lijnen die ik had met de mensen die me dierbaar waren en met de dingen waarmee ik me omringd had in de loop van mijn leven. Ik, mensen, dingen, gedachten: zij waren het verhaal dat ik was. Mijn verhaal loslaten was afschuwelijk, want ik wist dat het zou verkruimelen, dat alleen de verhalen van anderen nog zouden blijven bestaan.
Een therapeut zou vast zeggen: je wilde de controle niet opgeven.
Nou, inderdaad.
Shit, wat was het jammer dat mijn verhaal niet in een boek vastgelegd had kunnen worden, het was zo spijtig dat ik niet nog wat langer mocht blijven doorgaan en, bijna nog erger, dat de rest zonder mij zou doorgaan. Het liefst was ik tegelijk met de hele wereld ontploft. Zonder mij mocht de wereld niet doordraaien, zonder mij zou alles in het honderd lopen.
Ik was een controlfreak, dat bleek wel toen ik doodging. Maar, en juist daarom, was het ook heerlijk. Je kent vast wel dat gevoel van de boel de boel willen laten, dat gevoel van even helemaal niks hoeven. Nou, dit was het ultieme de-boel-de-boel-laten. Het was het toppunt van ontspannen. Jongen, wat is het lekker om te voelen dat het allemaal niks meer uitmaakt, dat je nergens meer verantwoordelijk voor bent, dat niemand aan je trekt, dat niemand aan je kop kan zeuren. Dat je niks meer fout kunt doen.
Ik kan dus wel zeggen dat ik met gemengde gevoelens, maar wel geheel onvrijwillig, de geest gaf in plaats van herboren onder de matrassen vandaan te floepen.
Vrij snel na de ‘plop’ – het was heel even donker, eigenlijk net alsof ik sliep – bevond ik me in een lichte, lichtgevende ruimte. Het was wit, precies zoals je je de hemel voorstelt. Alles was wit en ik voelde niks. Niks fysieks, in ieder geval. In de hemel was ook niks, behalve mijn moeder. Ik stond oog in oog met mijn moeder.
Hadden ze het ‘m toch geflikt, die rebirthing-jongens. Mijn moeder!
Ik wilde haar zo veel vragen. Of ze nu gelukkig was, natuurlijk. Of ze ons wel eens zag, mij en MiniP, beneden op aarde. Of tijd en ruimte hier eigenlijk wel bestonden. Of zij ons miste.
Mijn moeder glimlachte naar me en duwde me over de rand van de hemel.
Ik viel een hele tijd, wat een niet heel onaangenaam gevoel was, behalve dat ik het behoorlijk koud kreeg, en toen ik te pletter dreigde te vallen, werd ik in de kraag gevat door een kraai. De kraai liet me, vlak voor hij op een grasveldje landde, uit zijn bek vallen.
‘Ik ben gek op spinnen,’ zei de kraai. Toen vloog hij weg.