Dit is wat ze me later vertelden.
De therapeut en zijn helpers hadden alarm geslagen toen ze na een tijd van rust en stilte in het geboortekanaal de matrassen van me aftrokken en ontdekten dat ik was gaan hemelen. Met gillende sirenes was ik afgevoerd naar het ziekenhuis. In de ambulance waren ze al begonnen met reanimeren. Ik heb niet gevraagd wat ze allemaal gedaan hebben. Ik wilde niet weten of ik onder stroom had gestaan.
Tegen de dokter die aan mijn bed verscheen toen mijn geest weer in mijn lichaam op aarde was, vertelde ik wat ik had meegemaakt.
Dat was een bijna-dood-ervaring, zei hij monter.
Wat een geklets. Ze verzinnen tegenwoordig overal eufemismen voor, omdat de mensen de rauwe werkelijkheid niet meer aankunnen. En nu hebben we in het rijtje van verzachtende termen de bijna-dood-ervaring. Dat klinkt zoveel prettiger, en zoveel minder definitief ook, dan kassiewijlen.
‘Ik was anders gewoon de pijp uit hoor,’ zei ik.
De dokter glimlachte geruststellend en gaf me een klopje op mijn schouder. Toen ging hij weg want hij had nog meer te doen. Dat was echt zo: op dat moment waren er andere mensen die ook weer dood aan het gaan waren. Dat houdt nooit op.
Ik mocht al gauw weer vertrekken, want ik mankeerde niks. Mijn dood-ervaring had me opgezadeld met een heleboel vragen, en ik was er danig van in de war. Maar er was niemand die me helpen kon, ik kende geen doodervaringsdeskundigen. Daarom diepte ik mijn doorverwijsbrief op uit de zak van mijn regenjas en zocht mezelf een nieuwe anti-spinnenfobietherapeut.