In de nacht voor de dag dat ik naar mijn nieuwe behandelaar zou gaan, droomde ik van de Terminator. Ik droomde vaak van hem, wakend zowel als slapend.
Ik herinner me de eerste keer dat ik hem zag. Het was in de bioscoop.
De Terminator sloeg bij mij in als een bom. Ik kocht een zwart leren motorjack. Dat dragen, bracht me een stukje dichter bij hem.
Ik was betoverd door zijn kalme gewelddadigheid, zijn vastberadenheid, zijn one-track mind. Hij kende geen angst. Hij kende alleen zijn doel. Hij ging door roeien en ruiten om dat te bereiken. En hij was volstrekt onzelfzuchtig. Hij was zelfopofferend zoals een witte-bloedlichaampje of een mier dat zijn, als ze zich in de armen van de dood storten ten behoeve van het grote geheel. En het enige dat hij miste, namelijk liefde, bleek hij te kunnen leren. Niet van een vrouw, maar van een kind. Hij was te goed om waar te zijn, maar mij maakte dat niets uit, want wat was nu waarheid? De jaren tachtig waren immers de jaren van de postmoderne filosofie. Sedertdien wist ik helemaal niet meer wat er waar was en wat niet.
De Terminator. Ik wilde hem afwisselend zijn en hebben. De robot had alle kenmerken van een god, hij deed me denken aan de Jezus in het Laatste Oordeel van Michelangelo: onverstoorbaar, met de absolute kennis over goed en kwaad. Toen de Dag des Oordeels op Michelangelo’s fresco was aangebroken stuurde Jezus de verdoemden naar de hel en de Terminator deed hetzelfde.
Liefde, vrees en begeerte, zij liggen dicht bij elkaar als men droomt van Jezus, of van de Terminator.
Ik weet niet meer of ik hem was of had, die nacht voor de dag dat ik naar de nieuwe spinnenbehandelaar zou gaan. In ieder geval trok ik die dag mijn leren motorjack aan.