Toen ik bijkwam was ik helemaal alleen.
Woorden schieten tekort om te beschrijven hoe ik me voelde. Wat niet betekent dat ik geen beginnetje zal maken.
Alles deed me pijn. Alles, mijn vel, mijn spieren, mijn haren en mijn nagels, mijn oogbollen, mijn tandvlees, mijn tong, de binnenkant van mijn neus, mijn keel, mijn maag, mijn buik, mijn longen en mijn lever. De pijngrens werd per lichaamsonderdeel misschien niet bereikt, maar alles bij elkaar was ik er totaal door bevangen, de pijn had bezit van mij genomen, consumeerde me, beheerste me, ik zat gevangen in een koker van pijn, ik was een pijnlichaam, met daarin als brandpunten de plaatsen waar de pijngrens ruimschoots overschreden werd: daar waar de naalden en slangen in mijn lichaam waren gestoken en zich al god weet hoe lang als vreemde indringers staande hielden in een vijandige omgeving.
En op dat ogenblik kwam zij binnen, de verpleegster van de koffie. Ze keek of ze water zag branden toen ze mij naar haar zag liggen staren. Ze riep de dokter, en die kwam en constateerde na een hele tijd van gedoe met lichtjes en prikjes en vraagjes en ander gehannes dat ik weer helemaal bij de les was, en de rest is vooral een verhaal van flink doorzetten en niet bij de pakken neerzitten.
En het kwam goed. Op een gegeven moment was de pijn weg, waren de slangen weg, deden mijn spieren het weer, werkten mijn organen weer, ja zelfs mijn haar zat weer goed.