Een nieuwe therapeut was gauw gevonden. Ditmaal koos ik wijselijk voor een gecontracteerde zorgverlener. Die zijn beter – anders zouden ze geen contract krijgen nietwaar - en, niet onbelangrijk, worden vergoed. En ik was aan al die vrijgevestigde gerenommeerde hulpverleners heel wat geld kwijtgeraakt.
Nadat ik een aantal maanden op de wachtlijst had gestaan, kon ik terecht bij mijn nieuwe goeroe. Gelukkig, want de spinnen stonden niet op een wachtlijst en hadden mijn zenuwen weer bijna aan flarden weten te treiteren met hun veelvuldige bezoekjes aan mijn slaapkamer.
De therapeut zat in een hulpverlenersverzamelgebouw in een jaren ’80 buitenwijk die was opgetrokken uit lichtgrijze baksteen en kozijnen in felle kleurtjes. Ik moest wachten in een octagonale hal, samen met een hele hoop zieke en hulpvragende mensen, en een stel kinderen die op de grond zaten en plastic blokken uit een plastic krat haalden en er weer in smeten. Na een minuutje of veertig, vijftig misschien, werd ik meegenomen door een mevrouw die me met haar pasje langs een aantal elektronisch beveiligde deuren loodste. Ze zette me neer in de kamer van de dokter, zoals ze de fobiespecialist noemde. De dokter was er niet. Maar die kon elk moment komen.
In de behandelkamer was niets te zien behalve de tafel van de dokter en de achterkant van zijn computer, en al gauw begon ik me ontzettend te vervelen. Ik was liever in de wachtkamer gebleven, ook al wekte het zitten in de kamer van de dokter dan de indruk dat ik flink was opgeschoven richting de zo broodnodige hulp.
Eindelijk ging de deur open. Binnen trad een dame met een scherpe neus en een hoog opgetast zilveren kapsel. Ze droeg een lamswollen truitje en een rechte rok tot op de knie. Een parelsnoer ontbrak niet. De dame nam plaats achter het bureau van de dokter, keek me priemend aan met haar donkerbruine ogen en vroeg afgemeten wat eraan scheelde.
Jemig, wat deed ze me aan mijn oma denken. Een golf van weemoed sloeg door me heen. Die supergave oma is ook al dood, hoewel ze het een stuk langer heeft uitgehouden dan mijn moeder.
‘Ik heb een spinnenfobie,’ zei ik, en legde de verwijsbrief op het bureau.
Ze trok de brief naar zich toe, waarbij ze met haar gouden armbanden rammelde, en keek er kort op. ‘Je bent een stommeling,’ zei ze. ‘Wie is er nu bang voor spinnen? Maak je eigenlijk je huis wel goed schoon?’
Daar had ik niet van terug. Was dit soms een nieuwe behandelmethode? Niet meegaan in de cliënt z’n angsten, maar keihard blokken en terugconfronteren of zoiets?
‘Tja, wat heet vaak…’ begon ik.
‘Elke dag stofzuigen en stoffen,’ zei de dokter. ‘Jullie kinderen tegenwoordig, weten niet meer wat werken is. Ik werk elke dag in mijn huis. Maar als ik een spin zie, dan pak ik die gewoon met de stofdoek en dan zet ik hem buiten. Spinnen doen helemaal niets.’
Wanhoop maakte zich van me meester. Had ik hier al die tijd op gewacht? Iemand die me vertelde dat spinnen niks doen? Dat wist ik ook wel. Ik was niet gek.
‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Maar een fobie is iets heel ingewikkelds. Ik weet het wel met mijn hoofd, maar …’
De dame gooide haar hoofd in haar nek en schaterde. Toen ze uitgelachen was, zei ze: ‘Waar moet je het anders mee weten dan met je hoofd?’ En weer lachte ze.
De deur ging open. Op de dempel stond een lange, knappe man met grijzende slapen en net zo’n mooie haviksneus.
‘Mam,’ zei hij, terwijl hij naar de dame toeliep en haar met zijn hand onder haar elleboog zachtjes overeind trok. ‘Kom, ik breng je terug naar Gonny. Ze heeft de thee klaar.’
Hij keek me even aan met een mooie, droevige glimlach. ‘Ik kom zo terug,’ zei hij.