De echte dokter bleek ontzettend aardig, helemaal niet van het blokken en terugconfronteren. De ziekte van zijn moeder maakte hem droevig, en ook het feit dat hij zoveel met haar te stellen had. Hij wilde haar niet in een verzorgingstehuis plaatsen, onder geen beding. Nee, wie wil dat wel, tegenwoordig. Ik kon me er ook niks bij voorstellen, die mooie mevrouw die met een doorlekkende luier om haar keurige bibs, gemalen voedsel naar binnen zat te slurpen tussen de andere stinkende en slurpende ouwetjes.
Maar het was zwaar. Hij had zijn werk immers. De praktijkassistente deed wat ze kon om zijn moeder op te vangen, maar Gonny had ook haar gewone werk nog en moest moeder noodgedwongen af en toe alleen laten. ‘En dan zie je wat er gebeurt,’ zuchtte hij.
Ik had erg met de dokter te doen. Die eerste sessie, die extra lang was vanwege de intake, hebben we lang over zijn moeder gepraat. Ik moet eerlijk zeggen dat ik hem vooral aan het woord liet, omdat ik mijn ogen haast niet van hem af kon houden. Hij had edele gelaatstrekken.
Over mijn fobie hoefde ik hem niet veel te vertellen: hij was immers specialist, hij wist daar alles van. Gelukkig, je wordt er wel eens moe van als je jezelf steeds moet verklaren. En voor de therapeut was het ook wel eens fijn om met zo’n eenvoudige, enkelvoudige stoornis te kunnen werken. Dat klonk bijna als een compliment en ik voelde me een beetje trots. Ik was ook blij dat ik hem het vele werk bespaarde dat soms komt kijken bij het stellen van een diagnose. Hij had het zó aangevinkt in zijn computer, en daarmee was de vergoeding geregeld en had hij dan ook echt alle tijd voor mij.
Hij vroeg wat voor werk ik deed en ik vertelde dat ik werkloos was, maar dat ik vroeger in de zorg had gewerkt. Ik hield het expres een beetje vaag, want ik vond het niet prettig om te moeten bekennen dat ik eigenlijk alleen maar vrijwilliger in een bejaardenhuis was geweest en verder nooit een baan van enige betekenis had weten te bemachtigen. Maar hij vond het prachtig, werken in de zorg was het mooiste en belangrijkste beroep dat je je maar kunt voorstellen, zei hij; en weer voelde ik me gestreeld. 
Toen was de sessie voorbij, maar de dokter zei dat ik snel moest terugkomen. Hij zou me in een ‘spoedgaatje’ in de agenda laten stoppen, want hoe eerder de behandeling kon beginnen, hoe beter.
Bijna jubelend ging ik naar huis. Eindelijk iemand die me serieus nam, als mens, niet als een of andere achterlijke gestoorde. Iemand die naar me luisterde en met me praatte op gelijkwaardig niveau. Maar die tegelijk ook snapte hoe urgent mijn problemen waren. Ik wist zeker, dat deze dokter me echt zou helpen en dat hij me niet in de steek zou laten.