Na weer een slapeloze nacht – Ken lag koud en stil naast me – bedacht ik me opeens dat ik helemaal verkeerd aan het redeneren ben.
We zaten aan het ontbijt, ik had hem leuk aangekleed en netjes neergezet, en het viel me op hoe droef zijn glimlach eigenlijk was. Zijn mond, zijn lieve mond, lacht, maar zijn ogen lachen niet mee.
En ik kon me wel voor mijn kop slaan. De hele tijd ben ik bezig met mezelf, alleen maar met mezelf! Heb ik me ook maar één moment afgevraagd hoe Ken zich voelt? Heb ik geprobeerd me te verdiepen in zijn gevoelens, in zijn behoeften, zijn beweegredenen om te doen zoals hij doet?
En wist ik soms niet, weet ik niet al jaren, dat je de ander niet moet willen veranderen; dat je alleen jezelf kunt veranderen?
Ik stond op, liep naar hem toe en ging achter hem staan. Ik legde mijn handen op zijn schouders. Ik voelde hoe strak gespannen die waren en liet mijn handen naar beneden glijden, over zijn rug. Zijn spieren waren hard en strak; alles voelde keihard aan.
Tranen brandden in mijn ogen. Wat een stommeling ben ik geweest! Terwijl Ken blijkbaar helemaal niet lekker in zijn vel zit, zit ik te eisen dat hij me ziet staan, dat hij me complimenten geeft, dat hij de liefde met me bedrijft zelfs!
Ik heb hem zijn shirt uitgetrokken en hem in bed gelegd. Ik heb hem ingewreven met rozenolie en daarna heb ik hem gemasseerd. Ik wilde die spanning uit zijn lijf masseren, ik wilde hem met mijn handen laten voelen hoeveel hij voor me betekent, en hoeveel ik voor hem zou willen betekenen. Als hij het maar toe kon laten.
Na een hele tijd, ik was uitgeput, ben ik opgestaan. Ken bleef liggen. Hij zei niets. Ik denk dat hij sliep. Hij glimlachte in zijn slaap.