Het was niet druk op het strand. De zee was kalm, de lucht een beetje heiig in de verte. Langs de waterlijn dribbelden allerlei soorten watervogels. Mijn nieuwe vriend keek er met een half oog naar. Sommige waren heel klein en renden heen en weer met het komen en gaan van de branding, andere stonden op hoge poten en prikten met lange, gekromde snavels in het zand. Ik had geen idee wat dat voor vogels waren. Meeuwen, die herkende ik. Wit-grijsblauwe en grote, bruin gespikkelde, die met ingetrokken kop gemelijk kijkend rondstapten. Andere vlogen krijsend heen en weer.
Het strand was breed, waaruit ik concludeerde dat het eb moest zijn. We volgden het spoor van strandpalen. Moeilijk voor te stellen dat die dingen bij vloed helemaal onder water staan. Bij een van de palen bleef ik staan en bestudeerde de schelpen die aan het doorweekte hout gekit zaten. Het leek of ze er vanzelf uit kwamen groeien, als korsten op een ontstoken huid. Mijn vriend keek uit over de zee.
Ik had bovenop de strandpaal een hommel ontdekt. Hij scharrelde een beetje over het hobbelige oppervlak. Zijn dikke, behaarde lijfje vertederde me. En ik dacht: een hommel op het strand, is dat niet raar? Opeens trippelde hij als een kamikazepiloot over de rand van de paal en tuimelde naar beneden. Hij kwam terecht in het taaie, gele schuim dat zich aan de voet van de paal verzameld had.
Ik moest hem redden natuurlijk, en keek om me heen of ik iets zag waarmee ik hem kon pakken. Met mijn vingers zou ik hem zeker fijnknijpen. Of misschien was ik wel bang dat hij me van angst zou steken.
Ik vond een takje in het natte zand, waarmee ik de hommel opviste. Heel voorzichtig zette ik hem terug op de paal. Hij zat onder het schuim. Hij wreef als een bezetene met z’n pootjes in zijn ogen. Maar dat hielp niets. Hij hield op met wrijven en liep vooruit, in de lucht tastend met zijn voorpootjes, tot hij weer bij de rand van de paal was.
‘Ga terug, beest,’ zei ik. Er zat een knoop in mijn maag. Vanwege de hommel, en omdat mijn nieuwe vriend van een afstandje stond te kijken met z’n handen in zijn zakken. 
De hommel was stokstijf blijven staan, half over de rand van de paal. Zijn voorpootjes hingen roerloos boven de afgrond.
‘Ga nou terug,’ fluisterde ik. Maar hij bewoog zich niet. ’t Was net een miniscule beer die klaar stond om te gaan worstelen.
'Stommerd,' zei ik. Ik wilde hem oppakken en naar de duinen brengen, waar ik hem veilig op een lekker plantje zou kunnen zetten. Maar ik ging rechtop staan en keek naar mijn vriend. Hij had een zonnebril opgezet.