Het was zo’n mooie dag. Ik fietste op mijn dooie akkertje langs het Slot, dat als een parel lag te glanzen in het park. In de vijver dreven zwanen onder de franje van een overhangende treurwilg. Vogels kwetterden, zongen en krasten. De wind was lauw en hoewel het pas begin maart was, kon je duidelijk voelen dat de lente in aantocht was. Ik had zelfs mijn sjaal af gedaan.
Het is een stomme gedachte, maar ik dacht haar wel: nu ben ik gelukkig.

De muziek van een boomcar haalde me in. Ze sprong op mijn rug en slingerde zich rond mijn hoofd. Een motor brulde, banden gilden. Wat een gek, dacht ik, hier, op dit lieflijke weggetje.

Ik lag op de grond. Mijn hoofd gloeide. De weg rook zo heerlijk naar zomerstoep. Warm, zandig. De weg was gemaakt van oud, grijs asfalt, van dat gemoedelijke, met veel steentjes erin. Zand heeft ook een geur. Ik zat vroeger graag in de zandbak. Ik was gek op zachtzand, zo heette dat. Zachtzand was fijn van structuur, goed droog en warm en het stroomde soepel tussen je vingers door. Je kon er niet mee bouwen. Daar had je hardzand voor nodig. Dat zat dieper en was koud. De stoep in de zomer rook lekker. Liggen met je wang op zo’n warme tegel, je ogen dicht, voelen hoe de wind met kleine vingertjes aan je blote armen plukt. De stoep rook naar geborgenheid. Naar spelen. Het stuur van mijn step rook naar ijzer. Het smaakte ook naar ijzer. En naar bloed. Hoe kon het dat mijn bloedarmoedig bloed toch naar stuur smaakte?
Zand zit in mijn mond. Het licht verdwijnt opeens, ik sla mijn ogen op. Er staat iemand in mijn zon. Zijn blik is gericht op mijn onderlijf. Onverholen afgrijzen. Wat is er mis met mij? De bekende angst om betrapt te worden. Dromen van naakt zijn in een menigte.
Hij kijkt me aan. Hij schudt zijn hoofd. Hij kijkt alsof hij pijn heeft. Ik doe mijn ogen dicht. Wat wil hij van me?
De warmte komt terug, de zon streelt mijn wang. Is hij weg? Ik doe mijn ogen open en zie zijn gezicht nu vlakbij het mijne. Er slaat een weeë vanillelucht van hem af, misschien komt die uit zijn haar, dat glimt alsof het van skai is gemaakt. Ik ben opeens misselijk en sluit mijn ogen weer. Ik hoop niet dat ik moet overgeven. Ik heb het idee dat ik beter heel stil kan blijven liggen. Ik kon er niks aan doen, zegt hij. Ik zie de pijn in zijn ogen. Het is niet mijn schuld, zegt hij. Het is niet eens mijn auto.
Ik weet wat hij van me wil. Hij wil getroost worden. Mag de muziek wat zachter? vraag ik. Hij staat op. Ik haal weer adem.
De muziek stopt abrupt. Ik hoor een merel. O nee, daar heb je hem weer. Hij torent boven me uit, een telefoon aan zijn oor. Nu klaar met bellen. Hij stopt de telefoon terug in zijn borstzakje. Hij heeft zo’n glanzend shirt aan met een V-hals met een biesje erlangs. Hij verdwijnt uit mijn zicht, ik hoor een autodeur slaan, de motor start en meteen begint die muziek weer te rammen. Maar die draait hij vlug zachter, gelukkig. Het geluid van de auto verwijdert zich.
Mijn hand, die ik bijna vergeten was, ze ligt ergens op straat, heeft bezoek gekregen van een kriebelend diertje. Ik trek de arm met de hand naar me toe. Het is een mier. Ze verlaat mij en vervolgt haar weg over het asfalt. Ik sluit mijn ogen. Het zand dat kraakt tussen mijn kiezen smaakt naar ijzer. Ik ruik de lente, de wind dekt me toe met een teder lakentje.