Op dat moment besefte John dat hij niet het enige levende wezen aan boord van de XS23 was. Hij voelde een steek in zijn maag. 496 dagen zonder enig menselijk contact was zelfs voor hem wat veel van het goede. De eenzaamheid, of liever gezegd, de afwezigheid van medemensen, had hem licht neerslachtig gemaakt. Niemand om tegen te zeggen dat hij geen zin had om iets te drinken in de bar, niemand om te negeren voor het slapengaan in de tweepersoons hut, niemand om zogenaamd niet te herkennen in de lange gangen.
Gisteren had hij eindelijk de Shantulog® aan de praat gekregen en hij zat nu al bijna een etmaal naar het scherm te turen. Hij keek weer naar de gestaag benedenwaarts druppelende tekens op het scherm. Alles normaal, hij zag niets vreemds... – daar was het weer! Een onmiskenbare afwijking in de code. Ergens op dit onmetelijke schip was door de sensorische wanden dynamiek gedetecteerd. John sprong op van zijn stoel, bukte zich en greep de siliconenbuddy model #Hispanic, die naast zijn desk op de grond lag. Hij drukte haar stijf tegen zich aan.
'Teresa,' fluisterde hij in haar nek. Ze rook naar vanille. Ze was destijds geleverd in een donkerrode jurk, maar John nam al heel lang niet meer de moeite haar aan te kleden. Ze diende maar één doel, en dat deed ze het best zonder jurk.
Hij ging weer zitten. Nu was het zaak om uit te vinden wáár de afwijking zich precies in de fysieke ruimte bevond. Het schip bood plaats aan 25.000 mensen, die er moesten kunnen wonen, werken en recreëren. Na het fatale ongeluk had John zich verschanst in het zuid-westkwadrant, wat het minst beschadigde deel was. Af en toe ging hij op rooftocht naar de opslagunit in het hart van het schip, voor blikken voedsel en drank, maar verder had hij geen expedities ondernomen. Iedereen was dood, het schip zwaar beschadigd, sommige delen waren onbegaanbaar vanwege de dodelijke straling, hij had, kortom, niks te zoeken buiten zijn eigen, veilige hoek. Hij had zich een officierskamer toegeëigend en die voorzien van alle luxe artikelen die hij had kunnen vinden en nodig achtte. De afgelopen 496 dagen had hij zich onledig gehouden met computerspelletjes - het aanbod was schier eindeloos, hij kon nog jaren en jaren vooruit zonder zich één seconde te vervelen - en hij was zich eigenlijk pas de laatste maand wat ongemakkelijk gaan voelen. Een heel klein beetje alleen. En dan was er de ontdekking, eergisteren, dat de SX23 met grote snelheid richting Mars koerste. John moest zich voorbereiden op de dood, veel eerder dan hij verwacht had. Tijdens het ongeluk, toen het erop leek dat het hele schip zou vergaan, dacht hij dat zijn laatste uur had geslagen, maar het besef, later, dat hij de enige overlevende was van een enorme ramp, had hem een gevoel van onsterfelijkheid gegeven.
Het kostte hem een halve dag om de lokatie van de entiteit te bepalen. Het/hij/zij zat in een werkunit helemaal aan de andere kant van het schip, een plek die volgens berekeningen van John no go moest zijn in verband met stralingsgevaar. Maar misschien had hij zich vergist. Het leek hem onmogelijk, maar goed: de code loog niet. Er was nog iemand anders aan boord.
Hij pakte een rugzak in met spullen die hij nodig zou kunnen hebben, plus een pakje leefkoeken en een flacon watercapsules. Het was een wandeling van een kilometer of dertig, net te doen in één dag. De zweeftreintjes waren allemaal buiten werking sinds de ramp.
John ging naar kooi, dimde de lichten en zette de weklamp op zes uur later.

De wandeling deed hem goed; het was lang geleden dat hij zo'n eind gelopen had. Hij hield zijn conditie enigszins op peil met de speciale bewegings-applicaties in zijn officierskamer, maar hij was geen sportmens en naarmate de dagen zich aaneenregen was hij steeds inerter geworden. Wat deed het ertoe. Hém kon het niet schelen dat hij een buikje kreeg, een platte kont, dunne benen. En Teresa ook niet.
Het eerste deel van de tocht verliep zonder problemen. De huidkleurige gang was leeg en stil. Ramen waren er niet in het schip, dat overal voorzien was van daglichtlampen die het normale licht- en donkerritme van de Aarde op de 41ste breedtegraad nabootsten. In het schip was het nu zomer; de lampen brandden 18 uur per etmaal.
Toen hij 26,56 kilometer had gelopen wees de navigator hem naar links. Er zat een deur in de wand. John schakelde met een druk op een knop het magnetisch veld uit dat de deur gesloten hield en duwde ertegen. Hij voelde weerstand. Hij duwde harder. De deur werd geblokkeerd door iets. John moest al zijn kracht gebruiken om een kier te forceren waar hij zijn lichaam doorheen kon wringen.
De vloer achter de deur lag bezaaid met spullen en lijken. Tafels, stoelen, wandschermen, persoonlijke bezittingen van het personeel, het personeel zelf. Tijdens het ongeluk waren alle magnetische velden uitgeschakeld; deuren waren open gevlogen, meubels losgeraakt van de vloer. De botsing met de taaie dampkring van de komeet had het machtige schip doen schommelen als een dobber in een woelige beek, de werkruimtes hier haden hun inhoud in de gang uitgebraakt. De perfect geconserveerde lichamen waren nog steeds zwak fluorescerend. De stoffen die ze tijdens hun sterven hadden uitgescheiden, waren in de droog-hygiënende lucht van het schip verpulverd tot een fijn poeder, dat allang was neergedaald en niet meer herkenbaar was als lichaamseigen materiaal.
De stralingsmeter in Johns rugzak bliepte. Hij haalde hem tevoorschijn en zag dat hij nu in het gebied met dodelijke™-straling was. Volgens de navigator had hij nog een paar kilometer te gaan; zouden de drie - dat was meteen de hele voorraad - anti-stralingspillen die hij bij zich had gestoken, voldoende zijn? De meter bliepte schril. John kon de misselijkheid niet langer negeren. Hij nam een tablet.
Klimmend en strompelend over de bergen troep en dode lichamen vervolgde John zijn tocht. Af en toe meende hij een bekend gezicht te zien, maar zeker weten deed hij het niet; hij had met geen van de 24.593 mensen op het schip ooit een gesprek gevoerd dat uit meer dan drie zinnen bestond.
Hij zette de gillende meter op trilstand.

De navigator piepte drie maal. Een vrouwenstem zei: 'bestemming bereikt aan uw rechterhand.' Johns hart begon te bonzen.
De deur, die volgens het bordje dat ernaast tegen de wand hing, toegang gaf tot het domein van de kernfysici, was gesloten. Hier werd de kernreactor die het schip aandreef en van energie voorzag, in de gaten gehouden. Of bediend. John had geen verstand van kernfysica. Wat of wie zou zich in die ruimte bevinden? Zou het gevaarlijk zijn? John had nog niet aan die mogelijkheid gedacht. Maar hij had haast; over een kleine twintig minuten was ook de laatste pil uitgewerkt en zou hij sterven. Hij stootte de deur open en stapte naar binnen.
Hij was in een grote, spaarzaam verlichte ruimte met een koepelvormig plafond en in het midden een ring van zacht flikkerende computerschermen en controlepanelen met ontelbare lampjes en knopjes. In een kring daaromheen stonden witte bureaustoelen. Op een van die stoelen zat een man, die bij Johns binnenkomst overeind sprong. Hij bekeek zijn bezoeker met grote ogen, zijn mond hing open. Toen brak een brede lach door op zijn gezicht.
'Een medemens!,' riep hij uit. Met uitgestrekte handen liep hij op John af. Voordat die wist wat hem overkwam, had de onbekende John's beide handen in de zijne genomen. Stralend keek hij hem aan, onderwijl zijn greep verstevigend.
'Wat een geluk! Ik ben niet alleen!' zei de man.
John trok zijn handen weg en veegde ze af aan zijn broek.
Het gezicht van de ander betrok.
'Wat een vreselijk idee,' fluisterde hij, 'dat we al die tijd sámen op dit schip hebben gezeten... húnkerend naar gezelschap...' Hij schraapte omstandig zijn keel.
John verkende met zijn ogen de ruimte.
'Wat was je aan het doen?'
'Dit is de controlekamer voor de kernreactor,' zei de man. 'Ik voerde wat checks uit. Alles is in orde. We hebben nog brandstof voor driehonderd jaar.' Hij glimlachte warm en legde zijn hand op Johns schouder. 'We hebben dus tijd genoeg om elkaar te leren kennen.'
John voelde een golf van misselijkheid opkomen. Haastig nam hij de laatste pil uit zijn borstzak en legde die onder zijn tong.
'Luister,' sliste hij, 'Ik heb nog vijftien minuten voordat deze is uitgewerkt. Ik moet wegwezen hier.'
'Ja, natuurlijk, denk om je veiligheid!' zei de man, nerveus opeens. 'Ik ga met je mee, we moeten gaan, kom, we moeten..,' de man keek om zich heen. 'Mijn spullen, ik heb wat spullen die me dierbaar zijn. Maar die liggen ergens anders...'
'Ga ze maar halen dan,' zei John, die bezig was naar de deur te lopen.
'Waar ga je heen?'
'Weg,' zei John.
'Waarheen? Zeg me waarheen. Ik kom achter je aan. We hebben zoveel te bespreken...'
John was de deur uit en vocht zich een weg door de troep die hem de weg versperde. De misselijkheid was weer gezakt; hij had nog een minuut of dertien respijt. Achter zich hoorde hij de stem van de man echoën.
Eindelijk was hij bij de deur. Hij wrong zich door de kier, duwde met een elleboog de deur dicht en liet zich vallen op de koele vloer van de stille, schone gang. Hij was gered.

Eenmaal terug in zijn kamer trakteerde John zichzelf op een extra lange sessie met Teresa. Na afloop snikte hij zachtjes in haar rubberen hals.

Tijdens het ongeluk waren alle 24.593 bewoners van het schip naar de plekken des onheils gedirigeerd om assistentie te verlenen. Iedereen was gegaan, behalve John: hij zag niet in waarom hij puin zou moeten ruimen dat door anderen was veroorzaakt. En híj had met die botsing niets te maken gehad, hij was slechts een eenvoudige software-engineer. Hij had zich verschanst in een ontlastingscabine en daar gewacht tot alles weer rustig was. Dat had nog lang geduurd. De mensen waren in verschillende cohorten op pad gestuurd door de Coördinator, de Hoogste Stafcomputer. De Coördinator, Shanti genaamd, had te laat in de gaten gehad dat de een na de ander het loodje legde en had aldus het gehele personeelsbestand van de SX23 opgebruikt. Vervolgens had Shanti zichzelf vernietigd. Met niemand om te coördineren, was haar bestaan overbodig geworden. Dat er een overlevende was, was haar ontgaan.
Nee, de Hoogste Stafcomputer was bepaald niet onfeilbaar gebleken.

Net toen John Teresa in de schoonmaakunit stopte, hoorde hij voetstappen naderen. Het was te laat om zich te verbergen: de deur ging al open. Het was hem, natuurlijk, wie anders. Toen de man John in de gaten kreeg, begon hij te stralen.
'Kiekeboe!', riep hij.
Hij stapte over de drempel, liet een grote tas van zijn schouder op de grond glijden, keek goedkeurend om zich heen en liet zich op het bed vallen.
'Wat een gezellig plekje heb je hier,' zei de man. 'Wat denk je: zal ik gewoon bij jou intrekken, of de kamer hiernaast nemen? Ik vind het wel gezellig om alles samen te doen, maar jij hebt misschien wat meer behoefte aan privacy?' Hij boog zich voorover naar John, die zich in zijn bureaustoel had laten zakken, en legde zijn hand op zijn arm. 'Ik heb daar alle begrip voor hoor. Zeg maar gewoon wat je het fijnst vindt. Ik heet Frank, trouwens.'
John knikte kort. 'John,' zei hij. 'Hoi.'
Frank stond op en drentelde door de kamer. Hij wierp een blik in de spiegel, die wat te laag hing voor hem, zodat hij zich moest bukken; hij streek zijn haar glad terwijl hij naar zichzelf keek vanonder zijn wenkbrauwen. John staarde naar de indringer die hier en daar spullen oppakte en weer neerzette, waarbij hij af en toe instemmend commentaar leverde. Het was een knappe man, dat kon zelfs John, die niets moest hebben van de mannenliefde, niet ontgaan. Hij was lang en breedgeschouderd, met sterke, regelmatige trekken en dik, vol haar zonder een spoortje grijs. De uitdrukking op zijn gezicht was open, vriendelijk en een beetje melancholiek. Hij zag eruit als iemand aan wie je al je problemen zou vertellen. Hij leek, besefte John, niet minder dan volmaakt.
'Hoe kon jij eigenlijk overleven daar, in de straling?' vroeg hij. Het klonk nog vijandiger dan hij zich voelde.
Frank bleef middenin de kamer stilstaan. Hij bloosde.
'Ja,' zei hij. Hij deed een stap in Johns richting, aarzelde, ging op het bed zitten.
'Oké,' knikte hij. 'Ik wist dat die vraag zou komen.'
Hij liet zijn hoofd in zijn handen zakken en woelde door zijn haar. Na een tijdje keek hij op. Hij glimlachte; regelmatige, witte tanden glansden achter zijn half geopende lippen.
'Oké,' zei hij weer. 'John, beste vriend, dat komt doordat ik - een androïde ben.'
'Ben je een robot?'
'Nouja.... ja, als je het zo noemen wilt.'
Vandaar die volmaakte trekken. Maar hoe kwam het dat John het niet had gezien? Frank leek inderdaad op een androïde, zag John nu; maar toch ook weer niet. Om te beginnen had hij normale kleren aan, niet het standaard uniform van de werkrobots.
'Wij hadden aan boord geen communicatieve robots, zoals jij. Alleen gewone werkers, die slechts voorgeprogrammeerde antwoorden hadden op een aantal eenvoudige vragen.'
'Dat klopt,' zei Frank. 'Ik weet ook niet precies wat er gebeurd is. Ik denk dat het door de straling komt. Ik was gewoon aan het werk toen het ongeluk gebeurde. Ik ging uit; en toen ik weer aan ging, lag ik op de grond. Iedereen was dood en ik... ik had verdriet. Om al die arme mensen.'
Met grote ogen keek hij John aan. 'Oh, John, het was zó erg. Het was een totaal onbekend gevoel voor me, wat zeg ik: ik wist niet eens wat een gevoel wás. Nee, erger nog: ik wist niet eens wat 'ik' betekende! Je kunt je niet vóórstellen...'
Hij bloosde weer. 'Sorry, ik wil niet arrogant lijken. Jij kunt je natuurlijk heel goed voorstellen hoe het is om bestormd te worden door tegenstrijdige gevoelens, overweldigd te zijn door emoties.... jij bent immers een... méns.'
John knikte. 'Ja, ik kan me dat allemaal heel goed voorstellen,' zei hij. Hij dacht aan Teresa in de schoonmaakunit. Hij hoopte dat het geen kwaad kon dat ze er zo lang in bleef.
'John, ik weet wat je denkt,' zei Frank. Plotseling kwam hij half overeind van het bed, liet zich voor John op de knieën vallen en greep zijn handen. 'Je denkt: wat moet ik met een robot. Ik wil contact met een echt mens. Dat is wat je wilt, na 497 dagen eenzaamheid. Ik kan het me zó goed indenken, John. Maar, John, luister naar me, als je wilt.'
John vreesde dat Frank zou gaan huilen en onwillekeurig reed hij een stukje achteruit op zijn bureaustoel. Frank liet niet los en moest met zijn bovenlichaam mee naar voren bewegen. Zo bleef hij zitten, met moeite zijn evenwicht bewarend.
'John, wij kunnen het goed hebben samen. Je zult merken: met mij kun je gesprekken voeren waarover je maar wilt. Ik heb heel veel tijd gehad om na te denken. Ik heb alles gelezen wat er te lezen viel. Ik heb het voelen geperfectioneerd. Ik ben een echt gevoelsmens geworden, een echt mens, ik ben precies zoals jij bent.'
'Goed!' zei John, die zijn handen lostrok en zich kordaat op de knieën sloeg. Frank viel voorover, ving zichzelf op met zijn handen en ging soepel op één knie zitten. 'Dat was allemaal heel interessant. Ik ga maar weer eens aan het werk.'
Frank kwam overeind en zei: 'Ja, natuurlijk John, ik heb je al veel te lang van je bezigheden afgehouden. Dan ga ik me maar eens installeren. In de kamer hiernaast dan maar...?'
John keek om zich heen en zei: 'Tja, hier is het wat krap.'
'Je hebt gelijk, oké, ik verdwijn en laat jou lekker je dingen doen en ik zie je, hè,' zei Frank en met een vrolijk 'Laterrr!....' verdween hij.
John haalde Teresa uit de schoonmaakunit en bekeek haar van alle kanten. Ze zag er nog precies hetzelfde uit. Hij gooide haar op de grond, waarna hij haar met een voet onder zijn bed duwde.

John was net verdiept geraakt in een breinkrakend computerspel, toen hij een zachte klop op de deur hoorde. Hij tandenknarste en speelde door.
Klop klop, klonk het bescheiden.
John perste zijn lippen op elkaar.
Frank stak zijn hoofd om de deur. 'Hé, John, ben je druk? Ik denk dat je me niet hoorde. Zeg, makker, wat denk je ervan: zullen we een vorkje gaan prikken?'
'Een wat?'
'Hapje doen?'
John siste tussen zijn opeengeklemde tanden door. Maar Frank was al binnen.
'Kom op, ouwe reus, een mens moet toch eten!' lachte hij.
'Dat is waar ook, nu je het zegt,' zei John. 'Robots eten toch niet?'
Frank bloosde alweer. 'Nee, John, vriend, dat is waar,' zei hij zacht. 'Maar ik kan je toch gezelschap houden terwijl je eet? We kunnen de tafel mooi dekken en samen wat praten...'
John gromde.
'Het is etenstijd,' zei Frank, monter alweer. 'Dus!'
En hij pakte Johns hand -weer!- en trok hem mee de kamer uit, de gang door, een andere kamer in – John zag een prachtig gedekte tafel staan, ongetwijfeld met spullen die Frank had gevonden in de vertrekken van de allerhoogste functionarissen. Zachte muziek vulde de ruimte. Frank had voor twee gedekt.
John ging zitten.
Frank nam tegenover hem plaats en glunderend begon hij deksels van schalen te lichten. Witte bonen in tomatensaus, knakworsten, appelmoes, aardappelpuree, doperwten. Niet anders dan wat John elke dag uit blik at. Het verschil was alleen dat dit was opgewarmd. En in schalen gedaan. En dat John het op moest eten onder het toeziend oog van een slijmbal van een jurk van een robot, in plaats van lekker voor zijn eigen beeldscherm.
John laadde zijn bord vol voedsel en begon het, zonder op te kijken, met een lepel naar binnen te schrokken.
'Los van de eenzaamheid: het was best een bijzondere tijd,' begon Frank dromerig. 'Toen ik eenmaal besefte welk een geluk mij ten deel was gevallen, en wat een enorme potentie ik bezat... ik bedoel, mijn geheugen is eindeloos. Er kan zó veel in mijn eh... brein. Eerst heb ik alle handleidingen gelezen. Ik weet nu hoe het schip werkt, van de aandrijving tot en met het hele computersysteem. Maar het werd pas werkelijk spannend toen ik echte boeken ontdekte.' Hij sprak het woord uit met eerbied.
'Boeken. Ach John, er ging een wereld voor mij open. Er was een medewerkster, ze heette Suzy, haar naam stond op haar reader, zij had er duizenden. Ik heb daar zoveel uit geleerd. Over de liefde' – hij zuchtte diep – 'tussen man en vrouw' - weer een zucht - 'over al die andere gevoelens, zoals haat, en jaloezie, maar' - hij sloeg met zijn vuist op zijn borst - 'hoewel ik die emoties begrijp, heb ik besloten dat ik daar niet in meega. Liefde, ja. Vriendschap, ja. Maar haat, nee.' Hij reikte over de tafel en wilde Johns vrije hand pakken, maar die was hem voor en stopte zijn hand onder de tafel.
'Ik heb veel geleerd over hoe jullie mensen contact maken. Met jullie zintuigen, met jullie geest. Met jullie hele wezen. Ik vind dat zo mooi. Maar ik denk dat ik aardig wat heb opgestoken in de afgelopen tijd. Vind je niet, John? Vind je niet dat ik best wel heel... dichtbij je kom?'
'Ik heb genoeg gehad,' zei John, en hij schoof zijn bord van zich af. 'Ik ga maar weer eens naar mijn hut. Welterusten voor straks. Of, nah, slapen doe je natuurlijk niet. Nouja.'
Frank keek hem na.
'Slaap lekker John,' riep hij uiteindelijk. 'Nightie-night! Enne... don't let the bedbugs bite!'

Die nacht droomde John van de Rode Planeet. Ze straalde als een robijn toen John op haar te pletter sloeg. Zijn rondspattend bloed maakte haar nog roder dan ze al was.
Bij het ontwaken tastte hij met een hand onder zijn bed tot hij het zachte rubber van Teresa voelde. Hij trok haar bij zich onder de dekens en hield haar tegen zich aan tot ze zijn lichaamswarmte had overgenomen. Zo bleef hij liggen, verlangend naar zijn ontmoeting met Mars, de planeet waar geen leven mogelijk was.

Frank liet hem met rust tot na het ontbijt, dat John opat tijdens het kijken naar de codes op het controlescherm. Het zag ernaar uit dat de botsing niet meer lang op zich zou laten wachten. Een, hooguit twee dagen. John hoopte dat hij het zou redden tot die tijd. Hij had niet veel zin om zichzelf nog even snel van het leven te moeten beroven.
Frank drong zijn kamer binnen met een bezorgde frons op zijn gezicht.
'John, goeiemorgen beste vriend, het spijt me dat ik je moet lastigvallen met een niet zo prettig bericht...' begon hij.
John keek niet op van zijn scherm.
'Ik heb eens wat checks gedaan, het is eigenlijk heel vreemd dat ik het niet eerder heb gezien, onverklaarbaar wel, maar eh...'
Hij pauzeerde, maar John bleef stoïcijns naar zijn scherm staren.
'… het punt is, onze koers, eh... we gaan eigenlijk min of meer recht op een eh... obstakel af. Als we niet ingrijpen dan, nou...'
Nu draaide John zich om. Met een triomfantelijke grijns zei hij: 'Frank, beste robot, dat wist ik allang. Blijkbaar ben jij toch niet zo goed als je gisteren zat te beweren.'
Frank, blozend, boog het hoofd. Hij pulkte aan zijn neus. 'Sja...' zei hij.
Hij keek op en daar was die onuitstaanbare glimlach alweer.
'Maar!,' riep hij. 'Ik heb een oplossing bedacht. Ik weet hoe we de koers kunnen veranderen. Ik heb immers een studie gemaakt van de aandrijving van dit schip. Dus, wat we doen: ik ga terug naar de controlekamer en ik maak dit in orde. Het zal wat tijd kosten en daarom wilde ik nu meteen vertrekken.'
John keek naar hem met zoveel moordlust in zijn ogen, dat Frank aarzelde toen hij voortging: 'Dat wilde ik je even laten weten... opdat je me niet missen zou... en me zou gaan zoeken...'
'Geen kans op,' snauwde John.
Schielijk trok Frank zich terug.
'Je hoeft je in ieder geval geen zorgen te maken, hoor John!', riep hij vanuit de gang. 'Ik ga dit fiksen. Ga jij rustig door met je ding doen en uiterlijk morgenavond kunnen we weer gezellig samen eten. Ik zal lekkere dingen meenemen op de terugweg, ok?'
John keek radeloos om zich heen.
'Wacht jij maar kalmpjes af!', klonk Franks stem, verder weg nu. 'Als ik terug ben, zal er een heerlijke tijd aanbreken! Eindelijk tijd en rust om elkaar te verkennen, af te tasten, de nieren te proeven, uit te dagen, en, ja, natuurlijk, tot elkaar te komen! Doehoeg, Johnnyboy!'
John had Teresa uit zijn bed gesleurd en beet haar als een razend roofdier in haar olijfkleurige schouder. Toen hij zijn hoofd oprichtte, had Teresa een gat in haar schouder. Maar ze glimlachte nog steeds.
Met een gesmoorde schreeuw smeet John zijn buddy van zich af.

'Wat we doen: dit is wat we doen. Dit is wat we doen. Oké, John, wat gaan we doen.' John wiegde heen en weer in zijn bureaustoel. 'Wat we doen, wat we doen, wat we doen: dit is wat we gaan doen.' Hij stond op en liep naar de deur. 'Dit is wat we gaan doen, John, beste vriend.'
Hij keek om naar Teresa, die dubbelgevouwen in een hoek lag, met haar hoofd naar beneden en haar achterste in de lucht, haar armen in vreemde hoeken gedraaid.
Hij liep de gang in.

De deur was nog net zo moeilijk open te krijgen als de vorige keer. Maar Johns vastberadenheid was groot, veel groter dan een paar dagen geleden. Hij ramde zichzelf door de kier en klauterde op topsnelheid over zijn vroegere collega's heen. Toen hij in de buurt kwam van de controlekamer, begon hij misselijk te worden. Maar hij ging door. Hij was niet van plan daar naar binnen te gaan. Hij passeerde de deur waarachter Frank zich ongetwijfeld bevond, bezig het schip in een veilige koers te dirigeren. De druk achter zijn ogen werd groter. Pijnscheuten flitsten van zijn oogbollen naar zijn achterhoofd en weer terug, alsof er een partijtje pool werd gespeeld in zijn hersenpan. Zwetend moest hij halt houden. Hij kotste vol overgave over een jonge vrouw met bruin haar en bedekte zo haar nog altijd geopende ogen, die naar een punt in de verte leken te staren. Hij viel op zijn knieën en kroop verder, kreunend. Nog iets verder. De tranen stroomden over zijn wangen, zijn tong, die blauw was geworden, stak uit zijn mond alsof hij gewurgd werd. Schijt, kots en slijm liepen uit zijn lichaamsopeningen; bloed sijpelde uit zijn oren. Het bonzen in zijn hoofd was ondraaglijk.
Maar in zijn hart was vreugde. De verlossing was nabij. Nog even, nog heel even.... de laatste kracht vloeide weg uit zijn ledematen, die het begaven; zijn lichaam kwam tot rust, hij lag plat op zijn gezicht, als een dood insect. Rust.

Toen hij bijkwam keek hij recht in de liefdevolle ogen van Frank, die zijn voorhoofd depte met een vochtig lapje. Er ging een siddering door Frank heen, toen hij zag dat John wakker was. Hij vocht zichtbaar tegen zijn tranen; hij slikte en slikte. Toen, hoofdschuddend: 'John, John, wat wás jij aan het doen jongen? Waar wilde je naartoe?'
En, zacht, teder bijna: 'Was je naar mij op zoek?'
John sloot zijn ogen.
'Wat een geluk dat ik je gevonden heb. We lappen je weer op hoor, we gaan je hier doorheen slepen. Dit is óns project.'
Een koele hand op zijn voorhoofd.
'Ik laat je nu rusten. Rust uit, lieve vriend. Ik blijf bij je. Je hoeft dit niet alleen te doen.'
Tranen persten zich onder Johns oogleden vandaan. Hij had overal pijn. Maar dat was het punt niet. Die hand, die hand op zijn voorhoofd. Toen, Franks adem die zacht langs zijn gezicht streek. Een vluchtige kus werd op zijn wang gedrukt.
'Ik ben zo blij met je,' fluisterde Frank in zijn oor.
John probeerde zijn benen te bewegen en merkte dat hij te zwak was om op te staan. Goed. Rust nemen. Beter worden. En opnieuw proberen. Misschien was het beter om Frank te termineren. Dat hij daar niet eerder aan gedacht had. Maar Frank was sterk, en hij was een machine. Hij zou de aanslag zorgvuldig moeten beramen. Eerst beter worden, dan zou hij wel verder zien. Hij zakte weer weg.

Hij werd wakker van handen die zijn lichaam betastten. Gealarmeerd sperde hij zijn ogen open. 'Wat...?'
Frank glimlachte. 'Rustig maar John. Ik ben je aan het wassen. Je wilt toch niet vervuilen? Stil maar, je bent in goede handen.'
John probeerde overeind te komen, maar het lukte niet. Uit alle macht probeerde hij er niet aan te denken dat Frank aan zijn lichaam zat. Hij moest uittreden, weg uit zijn hoofd, weg van deze plaats.
'John, ik moet je iets vertellen,' klonk opeens de stem van Frank weer. John opende met tegenzin zijn ogen. Frank keek ernstig. 'John, luister. Je bent gered. Je zult leven. Maar, het slechte nieuws is.... John, jongen. Je bent verlamd. Je kunt niets meer bewegen dan alleen je hoofd. Het spijt me zo, beste kerel. Vriend.’
Hij keek aandachtig naar Johns gezicht, alsof hij zijn reactie wilde peilen. Maar John was niet in staat tot welke reactie dan ook.
Frank zuchtte diep, een lange, verdrietige zucht. 'Het spijt me zo voor je, John. Maar weet, dat ik er altijd voor je zal zijn. Ik zal je nooit alleen laten. Geen seconde. Jij en ik, John, jij en ik. Voor altijd.’