Tot wij in ’t wijk kwamen wonen, kende ik geen hondenvrees. Honden waren dieren die soms wel aanmatigend met hun neus in je kruis konden boren, maar dat was vooral als je bij ze thuis kwam; in het wild liepen honden aan de lijn, of, als ze los liepen, waren ze, hoewel soms wat overenthousiast waardoor je het gevaar liep te worden ondergestoven met blij kwijl door een tegen je op springend exemplaar, niet gevaarlijk. In ’t wijk leerde ik al gauw dat dit vertrouwen, kort gezegd, nergens op sloeg. Honden liepen altijd los en waren meestal kwaad. Ook waren ze geregeld op zoek naar bewegende levende wezens die ze konden pakken of alleen maar een beetje schrik aanjagen.
Het allergrootste mormel in deze overprikkelde hondenschare, was, met afstand, Nero. Nero was een enorme zwarte bouvier met vetrollen op zijn rug en een ernstig vervilte vacht. Hij behoorde toe aan een familie van eveneens enorme mensenkinderen, die net zo chagrijnig waren als hijzelf. Vaak stond hij samen met zijn bazin op het bruggetje dat leidde naar het fietspad richting vrijheid: het wijk uit. Het bruggetje was smal en voorzien van een schaarhekje. En om de een of andere reden was dat het lievelingsplekje van Nero en zijn bazin. Zij was een vrouw met hoogblond haar, veel make-up, gigantische borsten en een onafzienbaar decolletée. Die borsten legde ze op het hekje en dan stond ze daar, te roken natuurlijk, en wezenloos in het niets te staren. Uren aan een stuk.

Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik langs het tweetal moest. Ik zag ze staan, dacht niets bijzonders, hoogstens zoiets als: ‘O, daar staan een hele grote hond en een mevrouw de weg te versperren, nouja, die mevrouw zal haar huisdier wel even opzij trekken/duwen, zodat ik erdoor kan.’ Maar de vrouw bewoog geen pink en Nero ook niet. Toen ik voorzichtig langs hem schoof, gromde hij vuil en hapte naar mijn kuit. Ik zei iets in de trant van ‘oei, dit vindt hij niet leuk geloof ik’, waarop de bazin me een blik toewierp die zei: ‘als jij aan mijn hond komp dan sta ik niet in voor de gevolgen.’
Later heeft ze eens, net voordat Nero zijn tanden zette in mijn vriend, geroepen: ‘Hij doet niks! Hij bluf alleen maar!’
Nero’s vrouwtje had een obese zoon met een babyface en net zulk haar als Nero, maar dan blond. Die gast ging met de auto naar de snackbar die op 200 meter afstand van zijn huis was. De snackbar werd gerund door wisselende eigenaren, altijd van buitenlandse afkomst. Dat is belangrijk in dit verband, want de autochtonen hadden het niet op buitenlanders. Ik vermoed dat ze bang waren dat die hun nette wijk omlaag zouden halen. Om de zoveel tijd werden de ruiten van de patatzaak dus ingegooid. Als dat maar vaak genoeg gebeurde, hielden de uitbaters het ten slotte voor gezien, tot er weer een nieuw dapper stel kwam dat dacht hier een toekomst op te kunnen bouwen. In de tussentijd was de snackbar natuurlijk dicht. En dat maakte dit ritueel van de plaatselijke jeugd zo onbegrijpelijk. Die figuren aten zowat niets anders dan patat en bereklauw, dus met het vernielen der ramen gooiden ze bijna letterlijk hun eigen glazen in. Maar dat soort berekening en langetermijndenken was voor hen, denk ik, net iets te hoog gegrepen.
De zoon van de bazin van Nero was eigenlijk te oud om met de wijkjeugd rond te hangen, ook om nog bij zijn moeder te wonen, maar omdat hij niets beters te doen had, was hij toch vaak in het gezelschap van de kinderen te vinden. Geregeld had hij dan Nero bij zich. En nu moet je niet denken dat het allemaal lachen, gieren, brullen was, daar bij ons in de buurt. Eén keer heeft dat jong, toen ik de jeugdbende passeerde, Nero achter me aan gestuurd. ‘Pak d’r, Nero!’ riep hij. Nero bleek verrassend snel van begrip en topfit bovendien. Luid blaffend zette hij subiet de achtervolging in, en ik fietste, vijf maanden zwanger, voor mijn leven. Toen ik omkeek zag ik dat grote, bleke hoofd, met daarin een heel groot donker gat: dat was zijn open mond, waarmee hij schreeuwde van het lachen. Ik kwam huilend thuis. Mijn vriend knalde zowat uit elkaar van verontwaardiging en stormde de deur uit om verhaal te gaan halen bij Nero (‘Nero’ zijnde de naam voor zowel de hond als de familie). Toen hij terugkwam vertelde hij dat die papzak had opengedaan, dat al gauw zijn pa door de gang was aan komen lopen met geheven arm, klaar om d’rop te slaan, maar dat ze toch hadden ingebonden. En dat is dan wel weer een prachtige herinnering. Hoe vaak maak je nog mee dat een kerel bereid is om, voor jou, de taal van de vuisten te spreken?