’t Wijk was een jungle, maar er waren ook lichtpuntjes. Ik denk aan Joey. Zijn vrouwtje was heel dun, met een elegant blond kapsel en een klassiek gezicht. Aan haar lange benen droeg ze zomer en winter een legging, die tot halverwege de kuit kwam. Ze liep op muiltjes. Haar tred was traag, haar uitdrukking bedachtzaam. Altijd had ze haar rechterarm in een hoek van 45 graden, de hand omhooggestoken, met een brandende sigaret tussen de vingers. Ze liep zo langzaam, dat ze regelmatig stil viel. Dan stond ze peinzend en onbeweeglijk in de verte te staren, over het poepveld en, ongetwijfeld, nog veel verder. Ik had vaak de indruk dat ze niet helemaal op aarde was, zo verstild was ze. Als ik haar weleens tegenkwam, stonden haar ogen afwezig en leek ze me nooit te herkennen.

Joey was een golden retriever met prachtig, lang goudblond haar. Hij moet het prettig hebben gevonden dat zijn bazinnetje zo langzaam was, want hij was zo dik dat hij bijna niet vooruit kwam. Zijn gang was schokkerig, alsof hij zichzelf naar voren moest duwen, elke stap een duwtje; daarbij zwaaide zijn kont van links naar rechts, waardoor zijn prachtige pluimstaart elegant heen en weer wuifde. Als de vrouw weer eens stil stond te mijmeren, verdwenen in haar eigen, verre wereld, stond Joey naast haar, de kop naar beneden, en pufte uit. Hij was altijd aan het uitpuffen, nooit kwam hij eens op adem; hij had gewoon niet genoeg lucht voor dat enorme lijf van hem.
Men zei dat de vrouw zei dat het aan zijn schildklier lag dat hij zo dik was.

Op een ochtend heel vroeg, het was nog pikkedonker – de wijkbewoners waren vaak achterlijk vroeg op, ze gingen trouwens ook vaak achterlijk laat naar bed -  hoorden we een hoop lawaai buiten. Wij lagen nog in bed, maar mijn vriend ging door het raam kijken. Er was iets gaande voor ons huis. Hij schoot in zijn kleren en ging de straat op.
Dit is wat hij later vertelde. Joey was in het water gevallen. Het beest was, aan de wandel met zijn baasje, iets te dicht bij het slootje gekomen en toen van het flauwe grashellinkje af, zo het water in gerold. Nu stond hij daar, tot aan zijn buik in het nat, een beetje verbaasd en droevig te kijken. Af en toe liet hij een iel jankje horen. Het drama had verschillende mensen naar de slootkant gelokt, ze liepen en riepen paniekerig door elkaar; eentje kwam met een ladder aanzetten, alsof de hond door het ijs was gezakt. Een ander hield een stuk leverworst voor Joey’s neus en probeerde hem met lieve woordjes uit het water te vleien. Joey bewoog zich een weinig en gaf het weer op; hij wist zelf ook wel hoe belabberd zijn conditie was.
Mijn vriend nam de zaak in ogenschouw, liep het water in, dat hem tot de schenen kwam, pakte de hond onder zijn pens en rolde hem zo het hellinkje op. Hij stapte uit de sloot en ging weer naar huis. De overige redders keerden ook huiswaarts, evenals Joey, die misschien wel onderkoeld was geraakt.
Je begrijpt dat mijn vriend de held van de dag was.
Die avond werd er aangebeld. Op de stoep stond Joey’s bazin, met een enorme bos naar sigarettenrook geurende bloemen. In de bos zat een envelop met een tientje. Ze gaf haar geschenk af en verdween onmiddellijk weer. Ze was niet zo’n gezelligheidsdier, maar dat wist je al.