In ’t wijk woonden niet alleen veel honden, er was ook altijd opvallend veel jeugd op de been. De kinderen maakten de indruk nooit naar school te gaan en de energie die daardoor overbleef ten volle te benutten om iedereen lastig te vallen en veel te vernielen. In de winter gooiden ze ijsballen in je gezicht, als je onder de spoorbrug door fietste kon je een kliko op je kop krijgen. Knaapjes van vier staken geroutineerd hun middelvinger naar je op. Gasten van tien waren voor niemand bang en vastbesloten om welk gezag van wie dan ook te tarten, behalve dat van hun pa natuurlijk, als die harde handen had tenminste, en alleen als pa niet in de gevangenis zat. Ze roofden de kliko uit je voortuintje, verspreidden de inhoud in het plesoen (het poepveld plus groenstrook) en staken dat in de fik. Ze zaten bij elkaar op het minuscule pleintje dat het wijk rijk was, en dat zich helaas precies aan de uitgang van onze poort bevond, zodat ik altijd langs die bende moest met mijn fiets, en waar ze zich, omringd door hun scooters, overgaven aan het draaien van kanonharde muziek, aan elkaar plukken & trekken en gillen & loeien, de straat versieren met glinsterende rochels, eten & drinken en de verpakkingen op de grond laten vallen, en voorbijgangers uitlachen danwel bedreigen. Als je zo’n figuur (m/v) per ongeluk aankeek werd je getrakteerd op een geringschattend grijnsje dat zei: jij bent niemand en als je je muil opentrekt dan pakke we je. Of anders zullen we je minstens bespugen en naroepen.
Je kon het de kindertjes niet kwalijk nemen. Ze werden van jongsaf aan gestaald in de mores van het wijk. Een gemiddelde moeder zei niet, als haar peuter iets te ver vooruit liep: ‘Basje, wacht even op mama,’ nee, die brulde: ‘HIER BLIJVEN!!’ En als mama dan een andere kant op wilde en haar kindje had dat zo gauw niet in de gaten, dan kweelde ze niet ‘Ga je mee, Roosje?’ nee, dan schreeuwde ze: ‘KO-MEN!!!’ En als een dreumes zonder kijken de straat op dreigde te hobbelen, iets wat-ie natuurlijk moest afleren, werd-ie aan een arm omhooggehesen, door elkaar gerammeld en toegekrijst dat-ie dat nooit meer mocht doen, nooit meer, begrepen? Begrepen?! BEGREPEN? KIJK MIJ EENS AAN HEB JE DAT BEGREPEN?! Huilen was in zo’n geval verboden, dat werd geïnterpreteerd als obstructie plegen. De kinderen werden er zekerteweten enorm streetwise van, hoewel ik betwijfel of ze het lang hadden uitgehouden in andere streets dan die van hun eigen hood.
Het bevoegd gezag, dat zich in onze wijk nooit liet zien, met uitzondering van een motoragent die af en toe met 80 door de straatjes scheurde en dat, zo neem ik aan, zag als het vervullen van zijn surveillanceplicht (‘zo, ik heb mijn ronde weer gemaakt’), was het op een of andere manier ter ore gekomen dat de jongeren overlast veroorzaakten. De conclusie in dergelijke gevallen is altijd dat zoiets komt doordat de jongeren niets te doen hebben. Naar school gaan, sporten, een boek lezen, huiswerk maken, postzegels verzamelen, schilderen, een muziekinstrument bespelen: zulke dingen deed je natuurlijk niet. De kids hadden, kortom, een plek voor zichzelf nodig. Die plek werd een aan één kant opengewerkte zeecontainer. Deze geblutste en verroeste ijzeren doos werd tegenover het poepveld, en dus, schuin tegenover ons huis, in het gras geplaatst. De officiële naam was JOP: Jongeren Ontmoetings Plek. Eigenlijk had daar natuurlijk een frisse buurtwerker bij geleverd moeten worden, die de jongeren in hun eigen, fijne JOP ook zou bezighouden, maar dat was blijkbaar als te duur of gewoon zinloos weggewuifd door de ambtenaren van jeugdzaken. Zo veranderde er met de komst van de JOP niets aan de moraal van de jeugd, behalve dat de gozers en gozerinnen hun voorheen enigszins diffuus door het wijk verspreide overlastgevende activiteiten nu concentreerden in de JOP, die daardoor binnen de kortste keren dé hotspot was van alle ellende die het tuig maar kon verzinnen. Ze sleepten er werkelijk alles naartoe dat los en vast zat en staken dat in brand.

Algauw was de JOP, door mijn vriend omgedoopt tot Jongeren Ontploffings Plek, een zwartgeblakerde hellemond. En weer was het curieuze aan dit alles dat ze met deze daden hun eigen glazen ingooiden: de JOP werd een zelfs voor hen onhangbare plek. Eromheen hing een dikke brandlucht waar je ogen van gingen tranen. Op de aan de binnenwanden van de container vast gelaste bankjes kon niemand meer zitten. Ze waren verdwenen onder een massa half verbrand, gesmolten en eraan vastgekoekt afval uit de buurt. Rondom de JOP lag het afval dat de jongeren daar zelf hadden neergevleid: lege blikjes, drieliterflessen cola en andere prikdrankjes waar ze nog meer adhd van kregen, lege chips- en hamka’s-zakken, pizzadozen, plastic verpakkingen van donuts, roze koeken, appelcarré’s en boterkoek, wikkels van fantasierepen, popcorndozen, sigarettenpakjes. Een klokhuis heb ik daar nooit zien liggen. Of een sinaasappelschil.
Als de jongeluitjes niet iets in brand aan het steken waren, klommen ze met zijn allen bovenop de JOP om dan tegelijk op en neer te springen. Een herrie dat dat gaf! De dreunen moeten tot in het stadhuis te horen zijn geweest. Waar, neem ik aan, de ambtenaren wijselijk besloten om hier nevernooit een jongerenwerker aan bloot te stellen. Of een politie-agent. En voor een peloton ME waren wij uiteraard niet hoog geprioriteerd genoeg.
Maar, geloof het of niet, er waren ook leuke kinderen in het wijk. Super leuke kinderen. Leuker dan ik ze ooit in welke andere nette buurt dan ook heb ontmoet. 
En deze kinderen, over wie ik het nu ga hebben, waren niet alleen leuk: ze werden niet gepest door hun leeftijdgenoten. Het was blijkbaar mogelijk om aardig en gezellig te zijn, geen rottigheid uit te halen en toch respect te krijgen.
Kun je je voorstellen: toen wij daar nog maar net woonden ging op zekere dag de bel, en toen ik open deed stond daar een blond jongetje, dat zich voorstelde als Kelvin. Hij zei: ‘ik kom even kennismaken.’
Kelvin had het mevrouwtje dat vóór ons in het huis woonde gekend – ze was dood gebleven op de bank, daar, daar zat ze, gewoon op de bank, en ze was gewoon doodgegaan – en was nieuwsgierig naar de nieuwe bewoners. Hij kwam binnen en babbelde wat met ons. Vertelde waar hij woonde (om de hoek) en dat hij een zusje had, Angel. En een grote hond, maar die was niet gevaarlijk.
Een dag later stond Angel op de stoep. Ook zij wilde kennismaken. Ze was blond, lief en vrijmoedig. Toen ze eenmaal in mijn huiskamer stond, verklaarde ze met duistere stem dat ‘er iemand dood was gegaan in dit huis.’ Daar genoot ze zichtbaar van.
Sindsdien kwamen ze vaak langs om te kletsen, vooral Angel, die me vertelde wat haar bezighield, door mijn kamer drentelde en mijn spulletjes bekeek, vragen stelde over mij (en mijn spulletjes) maar ook over dingen uit haar eigen leven. We gingen ook wel eens bij hun ouders op bezoek, en zaten dan heel gezellig op de leren bank, met een paar furby’s, de kolossale hond en nog een kleintje, die ene die ooit bijna was verscheurd door Liefie Poepie Doen, en die écht niks deden.