Laatst begon mijn toenmalige vriend opeens over Buurman Poep. Ik was die hele buurman straal vergeten, hoe is het mogelijk. Hij woonde achter ons, en omdat onze achtertuinen uitkwamen op een smal steegje, dat we de poort noemden, zagen we elkaar af en toe. Onze tuin was aan het zicht van voorbijgangers onttrokken door een hoge ligusterhaag, maar Buurman Poep had slechts een laag hekje. Daardoor kon iedereen zien dat er in zijn tuin niets groeide. De  - niet geringe – vlakte bestond uit meticuleus aangeharkt zand.

Buurman Poep liet me soms zijn spataderen zien. Praten over kwalen was op zich niets bijzonders in het Wijk. Ik was daar, op mijn toen nog jeugdige leeftijd, al na een paar maanden kletsen met langslopende buurvrouwen die hun hond gingen uitlaten, tot de conclusie gekomen dat het niet anders kon dan dat iedere vrouw, dus ik ook, op een dag geconfronteerd zou worden met een vleesboom zo groot als een volwassen broccolistruik. Want vleesbomen, die hadden ze allemaal. Sommigen schetterden hun enge kwalen met luider stemme door de straat, anderen bogen zich dicht naar je toe, lieten hun stem dalen en deden hun verhaal, hees van nagevoelde ellende. Het leek zo net, of jij de enige was die dit gruwelijke verhaal mocht horen. Even voelde je je helemaal samen, ingewijd en geaccepteerd. Dat is hoe wij vrouwen een band smeden met onze zusters. Ik vind dat mooi. Ik ging bijna hopen op óók een vleesboom.
De eerste keer met Buurman Poep was wel een beetje eng. Hij was klein en worstig, met het figuur van een tuimelaar; hij had gitzwart haar en dikke, natte lippen, waartussenuit hij zijn woorden met kracht en snelheid naar buiten stootte.
Op die bewuste dag vertelde hij me van zijn openhartoperatie en minstens zeven bypasses, het was goed gegaan, maar hij had dus ook spataderen, kijk, kijk moet je kijken, nee, moet je kijken, hij tilde een besandaalde voet op en trok de terlenka broek omhoog. Hij onthulde een paarsrood, schilferig been waarover de dikke blauwe aderen kronkelden als boomwortels die bezit nemen van een ruïne. Ja, daar schrok ik wel even van. En het zou niet bij deze ene keer blijven.
Toen ik hem nog maar net kende, liet hij me zijn sieraden zien. Buurman Poep ging immer gekleed in een wit herenonderhemd, hij had een licht getinte huidskleur die daardoor goed uitkwam en waar zijn goud ook mooi bij afstak. Hij stak zijn dikke kluif naar me uit en toonde me een stuk of wat forse zegelringen. Er was er een bij met een vierkante, zwarte plaat met in een hoek een schittersteentje. Mooi, zei ik, prachtig. Schitterend. Rond zijn pols slingerde zich een knots van een gouden schakelketting en om zijn nek bungelde ook het een en ander. Van zijn vader geërfd, zei hij. Allemaal van zijn vader geërfd en hij droeg voortaan altijd alles tegelijk. Dat vond hij mooi. Het was allemaal massief, moest ik weten. Echt mooi. En harske veel karaats.
Van Angel hoorden we dat hij door iedereen in het Wijk Buurman Poep werd genoemd. Hoe hij echt heette, geen idee. De reden van die bijnaam was dat hij altijd klaagde over kattenpoep. Het was een ramp, een gotspe, een oordeel, het beheerste zijn leven. Als hij niet in zijn blote bast voor de TV hing op zijn skailederen bankstel, met de bewasemde ramen dicht en de verwarming op 35, dan lag hij op de loer voor kakkende katten. Vaak was hij natuurlijk toch te laat om ze weg te jagen. Zodra hij dan een drol ontwaarde in zijn zandvlakte, die door de katten ongetwijfeld werd beschouwd als een tip-top openlucht superstretch kattenbak, dan ging hij erop af met een schepje. De drol werd verwijderd, en het zand met een hark weer in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Die zandvlakte maagdelijk en aangeharkt houden, dat was zijn levensdoel. 
Eens trof ik hem in de poort. Hij was een beetje overstuur. Hij stootte en spuugde zijn verhaal naar buiten: hij had gehakt gekocht (gehák), en daar was de bliksem in geslagen. Hij kon het niet geloven. Hij was compleet ontdaan. Hij kon het niet geloven. De bliksem drin gesloage. Zomaar. Je begrijpt niet hoe dat kan. Maar het was gebeurd.
Hoe dat zo?
Hij had het pakje opengemaakt en het hele gehakt was zuur. Helemaal zuur. Harstikke zuur. Het hele gehakt. Hij kon het nog niet geloven. Alles. Omdat de bliksem derin was gesloage.
Hij besloot met: ‘Ik kan het nog niet geloven.’
Ik heb hem niet tegengesproken.